De aarde en haar verleden

Het moest er een keer van komen. Ik had al een poos die twee boeken in de planning om een keer aan te schaffen en te lezen:
En de aarde bracht voort van prof.dr. G. van den Brink
en
Oorspronkelijk van dr. M.J. Paul.
Omdat ik vond dat ik in het denken over ‘schepping en evolutie’ niet om deze twee boeken heen kon.

Hulp voor christenen

Ik begon met En de aarde bracht voort.
Een boek waarin Van den Brink christenen wil helpen ontdekken of en hoe orthodox geloven en evolutie samen kunnen gaan.

Pikant is dan wel meteen het citaat van Van Ruler waarmee het boek opent: “Ik wil graag een beetje botsing tussen geloof en wetenschap overhouden […]”…

Het begin van het boek is wat diffuus. Van den Brink is helder over zijn eigen positie, maar benadrukt ook dat bescheidenheid geboden is.
Maar de impliciete vraagstelling ‘of het zou kunnen zijn dat’ doet wat vreemd aan als je al hebt gelezen dat het voor Van den Brink zelf geen vraag (meer) is.

Begrippenkader

Om te laten zien dat geloof en wetenschap elkaar niet hoeven te bijten, en dat geloof en evolutietheorie goed samen kunnen gaan, is wel een begrippenkader nodig dat mij verbaast.

De titel En de aarde bracht voort komt uit Genesis 1; vers 12 om precies te zijn.
Opmerkelijk is dat Van den Brink álles door de aarde voortgebracht ziet worden: niet alleen de bomen en planten, maar ook de dieren en uiteindelijk ook de mens. Dat doet hij door te stellen dat de mens op enig moment op aarde “verschijnt”.

En wat mij het meest verbaasde, was dat Van den Brink dit aan de schrijver van Genesis 1 toeschrijft: die wil benadrukken “hoe diepgaand het leven van planten en dieren verbonden is met de aarde, zozeer zelfs dat het uit de aarde opkomt”.
Van den Brink hangt alles op aan de term ‘voortbrengen’ die herhaaldelijk in Genesis 1 wordt gebruikt, met name in de Statenvertaling; daar staat de term zelfs in vers 20 en 21 – terwijl daar juist het Hebreeuwse werkwoord dat in vers 12 met ‘voortbrengen’ is vertaald ontbreekt.

Maar het moet hem toch zijn opgevallen dat in Gen. 1 alleen in vers 12, als het om de flora gaat, als gevolg wordt vermeld: “En de aarde bracht voort”.
En dat er ten aanzien van de zeedieren en landdieren wordt vermeld: “Toen schiep God” (vers 21) en “En God maakte” (vers 25). Maar Van den Brink stopt bij “En het was alzo” in vers 24.
En dat, als het om de mens gaat, God niet zegt: “Laat de mens verschijnen op aarde”, maar “Laat ons mensen maken […]” (vers 26) – waarna het logisch te verwachten vervolg komt: “En God schiep de mens […]” (vers 27).
Over het feit dat bij de beschrijving van de planten en bomen niet, maar bij de dieren en de mens wél na het ‘voortbrengen’ wordt aangevuld dat “God schiep”, heeft Van den Brink het niet. Laat staan dat er staat dat God de mens maakte “van stof uit de aardbodem” (Gen. 2:7): van den Brink houdt het erbij dat God de mens vormde uit zijn biologische voorgangers (p. 74) – vanwege de waarde die in de wetenschap wordt gehecht aan de grote genetische overeenkomst tussen mens en dier.
Dat de mens “meer direct bij God vandaan” op aarde ‘verschijnt’, is misschien bedoeld om dat scheppen door God te suggereren, maar het is dusdanig verhullend dat het met zo’n begrippenkader niet zo moeilijk is om de evolutietheorie en het christelijk geloof met elkaar te verzoenen.
Maar mij overtuigt het niet.

Onderscheid schepping en evolutietheorie

Van den Brink benadrukt dat de evolutietheorie gaat over de ontwikkeling van het leven, niet over het ontstaan ervan.
Dat is wel terecht, en in de lijn van Darwin zelf.
Maar dan is het gebruik van termen als ‘opkomen’ en ‘verschijnen’ bepaald niet helpend. Dat geldt ook voor het feit dat ‘voortgaande schepping’ (!, JWP) de eerste laag van de evolutietheorie is (en blijft).

Invloed van zondvloed

Een zondvloedgeologie is volgens Van den Brink vanuit wetenschappelijk oogpunt verre van overtuigend (p. 46). In de aardlagen zou een chaotischer patroon te zien moeten zijn dan in werkelijkheid wordt aangetroffen: oudere en zwakke dieren, die als eerste onderschept moeten zijn door het water in hun vlucht naar hoger gelegen gebieden, zouden in de oudste lagen moeten zitten.

Als je de zondvloed opvat als ‘overstroming’ of ‘opkomende vloed’ (p. 46), is dat inderdaad merkwaardig.
Maar wat als het iets veel ingrijpender was, waardoor het zó snel ging dat er geen tijd was om naar hoger gelegen gebieden te vluchten? Van den Brink zwijgt over deze mogelijkheid.

Maar vandaag de dag komen uit de ontdooiende permafrost mammoeten, beren en wolven tevoorschijn die nog helemaal intact zijn.
De dateringen verschillen:
28.000 jaar voor een mammoet in 2011 gevonden.
10.000 jaar voor dit exemplaar, gevonden in 2012. Als doodsoorzaak wordt genoemd: gedood door mensen – maar dan is niet verklaarbaar waarom het dier niet is gemummificeerd of zelfs vergaan maar nog helemaal intact was.
42.000 jaar voor dit veulen. Als doodsoorzaak wordt verdrinking in de modder vermoed.

Maar hoe is het dan te verklaren dat al deze dieren niet op de grond of in de modder zijn aangetroffen, waardoor er toch op z’n minst van een beginnend ontbindingsproces sprake zou moeten zijn, maar dat ze nog helemaal intact in een laag bevroren grond worden gevonden – soms zelfs een mammoet met een groen blaadje in de bek? Zou dat er niet op wijzen dat er ooit iets moet zijn gebeurd dat zó heftig was dat deze dieren zijn bedolven en ter plekke doodgevroren?
Van den Brink zwijgt over deze mogelijkheid.

Wat als...?

Het boek van Van den Brink draait om de vraag ‘Wat als het waar is?’. Hij wil er “for the sake of the argument” van uitgaan dat de evolutietheorie waar is.
Maar de vraag ‘Wat als het niet waar is?’ stelt hij niet. Dan is ‘for the sake of the argument’ wat mij betreft wel een wassen neus.
Van den Brink gaat er gewoon van uit dat de uitkomsten van de wetenschap laten zien dat de evolutietheorie waar is. Dat blijkt ook als hij op pag. 330 de vraag stelt of “gegeven de evolutietheorie” het verhaal van de heilsgeschiedenis nog op de traditionele manier verteld kan worden.

Rol wetenschap bij bijbeluitleg

Maar dan blijft er ook niets over van zijn stelling dat de wetenschap niet kan dicteren hoe de Schrift verstaan moet worden.

Van den Brink benadrukt dat de ‘twee boeken’ van God elkaar niet tegenspreken, maar aanvullen. In die zin dat, zoals in de Nederlandse Geloofsbelijdenis is verwoord, God zich in de Heilige Schrift “nog duidelijker en volkomener” aan ons te kennen geeft dan Hij in veel beperkter en versluierder vorm in de natuur al doet.

Maar in zijn boek maakt Van den Brink dat niet waar. Die indruk kreeg ik al op p. 28, als Van den Brink het heeft over “de geloofspunten, zoals ze door de evolutietheorie uitgedaagd worden”. Maar wat is dan de waarde van een opmerking als “De Schrift moet omgekeerd ook beschermd worden tegen overheersing door de wetenschap” (p. 125)?

Op p. 136 schrijft Van den Brink: “De theologische strekking en betekenis van de Bijbel kan uiteindelijk niet in tegenspraak zijn met wat we ontdekken vanuit het wetenschappelijk onderzoek”.
Oftewel: Het ‘boek van de natuur’ bepaalt hoe het ‘boek van de Schrift’ gelezen en verstaan moet worden. De ontdekkingen vanuit wetenschappelijk onderzoek zijn bepalend voor de betekenis van de bijbeltekst.

Van den Brink wijst erop dat Berkouwer de conclusie trok dat het niet problematisch kan zijn om de wetenschap een rol te laten spelen bij het zoeken naar de juiste bijbeluitleg, wat nog niet betekent dat je de wetenschap laat dicteren hoe men de Schrift moet verstaan (p. 101).

Dat komt op mij niet geloofwaardig over na de opmerking van Van den Brink dat de noties van deep time en voortgaande schepping zich niet laten verzoenen met een ‘letterlijke’ lezing van de eerste Genesishoofdstukken.

Oftewel: de wetenschap bepaalt wel degelijk hoe de Bijbel niet kan worden gelezen. De wetenschap bepaalt wél dat het niet gebeurd kán zijn zoals in Gen. 1-3 beschreven staat.

Rol ervaring bij bijbeluitleg

Van den Brink vindt het terecht dat de meeste christenen het omphalisme – de schijnleeftijdtheorie, die inhoudt dat God een aarde heeft geschapen die oud lijkt – afwijzen: die past niet bij de morele volmaaktheid van God.

Dat stem ik graag met hem in. De vraag is vervolgens wél waarom deze moreel volmaakte God dan laat opschrijven dat Hij de wereld in zes dagen heeft geschapen: past iets als “Dat is natuurlijk niet zo, maar Ik laat het zo opschrijven om ingewikkelde zaken voor jullie begrijpelijk te maken” dan wél bij een moreel volmaakte God?

Van den Brink schaart de opmerking over scheppen in zes dagen onder de “sporen die we tegenkomen van oudoosterse wereldbeelden” (p. 328), die in de ‘perspectivisiche uitleg’ die hij bepleit niet tot de eigenlijke boodschap van de tekst horen, maar de lezers helpen om de boodschap binnen hun eigen context te kunnen plaatsen.

En uiteindelijk komt toch ook hier de aap uit de mouw, als Van den Brink over de schijnleeftijdtheorie schrijft: “Hoe dan ook maakt deze theorie onze ervaring van de geschapen wereld onbetrouwbaar” (p. 44).
Niet de verklaring van de Schepper, maar de ervaring van het schepsel gaat voorop.

De hamvraag

Dat brengt mij weer terug bij wat ik in mijn eerste blog schreef: dat ik niet in de positie ben om te denken dat de Schepper het niet zo heeft kúnnen doen als in Gen. 1-3 staat.

Het brengt mij terug bij het voorbeeld waar ik daar naar verwees: die emmer onder een druppelende kraan, met luchtbelletjes aan de rand die niet kloppen met de druppelende kraan, maar wel met vullen onder hoge druk (waar alleen geen bewijs voor is).

Dit voorbeeld laat zien wat de vraag is waar het om draait:
Waar laat je je – óók in wetenschappelijk onderzoek – door leiden: door de wetenschappelijke rekenmethode of door een boodschap van Iemand die een verklaring geeft voor een verschijnsel dat niet met die rekenmethode klopt?

Geleende woorden

Twee maanden na En de aarde bracht voort verscheen het boek Oorspronkelijk van dr. M.J. Paul.

Waar Van den Brink vooral ten doel had om te laten zien dat orthodox christendom en evolutie heel goed samen kunnen gaan, is het doel van Paul om de pogingen om geloof in een scheppende God te combineren met nieuwere wetenschappelijke opvattingen te onderzoeken – en duidelijk te maken dat de visie op de oorsprong van de wereld grote gevolgen heeft voor de visie op de toekomst van de wereld (p. 11).

In de aanvulling bij de 3e druk in 2019 doet Paul wat hij oorspronkelijk niet kon doen: reageren op wat Van den Brink naar voren bracht.

In die reactie vond ik de woorden voor het gevoel dat bij mij bleef hangen na het lezen van En de aarde bracht voort.
Ik geef een paar citaten:

“Niet de ‘Aussageintention’ (zoals de Duitsers zeggen) van de teksten, maar de oplossing van het hedendaagse lezersprobleem vormt de hoofdzaak” (p. 536).

“Mijn bezwaar is dat hij start bij een hedendaags probleem en de intentie van de teksten te weinig honoreert” (p. 538).

Bij Van den Brinks term ‘hermeneutisch gevoelige omgang’ met de aanname dat de (erf)zonde teruggaat op de overtreding van een solitair opererend eerste mensenpaar:
“Hier is de hermeneutische omgang niet gericht op de intentie van de tekst, maar op de mogelijkheid tot herinterpretatie” (p. 537).

Pauls conclusie is uiteindelijk:
“Echter, op deze wijze moet de Bijbeluitleg het ontgelden en wordt de oplossing voor exegeten ongeloofwaardig” (p. 539).

Complexe materie

Dat maakt het thema ‘schepping en/of evolutie’ wel complex…
Voor natuurwetenschappers is de ‘letterlijke’ uitleg van Genesis 1 ongeloofwaardig, voor exegeten is de “ingrijpende beslissing om hedendaagse opvattingen mede te laten bepalen wat een tekst mag zeggen” (Paul, p. 539) ongeloofwaardig.

Na het lezen van  Oorspronkelijk heb ik niet de indruk dat Paul verder heeft kunnen komen dan die wederzijdse ongeloofwaardigheid; dat hij niet een weg heeft gevonden om beide posities te verenigen.
Het blijft voor mijn gevoel steken op het niveau van keuze – zoals ik op Twitter iemand zag verwoorden: Paul kiest voor creationisme, Van den Brink kiest voor theïstische evolutie.
Beiden doen dat op basis van argumenten – die de ander niet overtuigen.

Maar misschien is dat wel precies wat Van Ruler voor ogen stond: ‘een beetje botsing tussen geloof en wetenschap’.

Welke botsing we dan ongetwijfeld zullen moeten opvatten zoals Abraham Kuyper die beschreef – en die Van den Brink ook citeert (p. 322):
“Niet dus geloof en wetenschap maar twee wetenschappelijke stelsels of wilt ge twee wetenschappelijke uitwerkingen zijn het, die elk met een eigen geloof tegenover elkander staan”.

Het voordeel van deze benadering van Kuyper is, dat je respectvol kunt staan tegenover iemand die een andere wetenschappelijke uitwerking heeft, zonder neerbuigende diskwalificaties als ‘achterhaald’ of ‘onwetenschappelijk’.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.